Inrichting 

Previous

IMG 1379

In de Montessorischool is een van de belangrijkste taken van de leidster het voorbereiden van de omgeving. De omgeving moet er aantrekkelijk uitzien, zodat een kind zin heeft om aan het werk te gaan. De klas moet een dynamisch geheel zijn, steeds veranderen, regelmatig iets nieuws bieden dat de aandacht van het kind trekt en hem aanzet tot onderzoeken en werken. Op deze pagina vind je suggesties voor die voorbereide omgeving. 

Toen Maria Montessori haar eerste klas inrichtte, deed zij uitvoerig onderzoek naar hoe de omgeving eruit moest zien. De volgende eisen werden gesteld aan de omgeving van het kind. 

De groepen: 

  • De kinderen werden gegroepeerd in groepen met steeds 3 verschillende leeftijden. 
    • 0-3 jarigen thuis
    • 3-6 jarigen in een children’s house, in nederland heet dit de onderbouw
    • 6-9 jarigen in een lower elementary, de middenbouw
    • 9-12 jarigen in een upper-elementary, de bovenbouw
    • 12-18 jarigen behoorden tot de Erdkinder, middelbare school.
    • 18-24 jarigen hoorden in een universiteit

Bij het samenstellen van een klas zijn belangrijk: 

  • Een balans tussen jongens en meisjes
  • De cultuur moet tot uitdrukking komen
  • Een derde van de kinderen moet al twee jaar in een montessori-klas zijn, een derde van de kinderen moet er al een jaar zijn en een derde mag nieuw zijn. 

Zo ziet een montessoriklas eruit: 

  • Per kind 35 vierkante voet, 3,25 vierkante meter om te bewegen en te werken. Tuin en opslag niet meegerekend. In Nederland is de standaard maat voor nieuwbouw van een onderbouwklas 64 m2. Dit is de buitenmaat. 
  • Soberheid: geen werk van kinderen aan de muur, geen drukke wanden of een veelheid aan spullen.
  • Beperktheid van het materiaal. 
  • Alles is zo neergezet zodat kinderen er zelfstandig mee aan de slag kunnen. 
  • De ramen zijn laag en laten het licht goed binnen. 
  • De deuren en deurknoppen zitten laag, zijn niet te zwaar en de wc’s zijn zonder slot. 
  • De muren pastelkleurig of licht gekleurd. Geen fel geel. 
  • Decoraties die de natuur en het leven van de groep reflecteren. Sommige platen permanent, andere roterend,. 
  • Vloeren niet bekleed - dit zou een motivatie moeten zijn om zacht te lopen en zo de bewegingen te verfijnen. 
  • Kleine en grote tafels om tegemoet te komen aan de verschillende leeftijdsgroepen. De tafels en stoelen zijn licht, zodat ze gemakkelijk verplaatst kunnen worden door een kind. Kinderen hebben geen eigen tafel nodig. Ze werken aan een tafel in het gebied waarmee ze aan het werk zijn. Een kind dat oefeningen uit het dagelijks leven doet, werkt in die hoek van de klas. Doordat niet ieder kind een eigen tafel nodig heeft, is er meer ruimte voor kleedjes. De kinderen bepalen zo zelf waar ze willen werken. Dit kan ervoor zorgen dat de kinderen die jij uit elkaar wilde halen, elkaar weer opzoeken. In zo’n geval geef je een kind rustig een andere plek: „jij mag even op deze plek gaan werken”. De tafels staan los van elkaar, zoals op bovenstaande foto. Dit helpt hen met de concentratie. 
  • Kinderen die echt rustig willen werken, kun je de gelegendheid dat te doen door een soort ‚stemhokje’, een study buddy op tafel. Deze zijn onder meer te koop bij study buddy
  • Een kind moet niet de mogelijkheid hebben van de ene diagonaal naar de andere te gaan. Dit dient als een motivatie voor sierlijker bewegen. 
  • De aandachtstafel heeft oefeningen of objecten die er maar korte tijd te zien zijn. 
  • Voldoende ruimte voor kleedjes. 
  • Slapende kinderen bevinden zich niet in dezelfde ruimte. 
  • Zijn er geen hoekjes en verstopplekjes? Of wil je juist kleine hoekjes waarin kinderen zich terug kunnen trekken en rustig kunnen werken, dingen kunnen ontdekken in de kasten die daar staan?
  • Een ellips op de vloer waar de kinderen het streeplopen kunnen oefenen. Dit gebeurt tijdens het werken, met kleine groepjes kinderen tegelijk. 
  • Stof moet op te merken zijn op oppervlakken. 
  • De lage tafels in de buurt van de oefeningen uit het dagelijks leven. 
  • De hogere tafels in de buurt van taal en rekenen. 
  • De planten moeten tegen een stootje kunnen, er mooi uit zien en op zijn minst 14 verschillende bladvormen hebben. In de onderbouw hebben kinderen een eigen plantje dat ze verzorgen. Dit mag eigenlijk geen cactus of vetplant zijn. Deze zullen in iedere situatie overleven en vragen dus geen echte zorg van het kind. Vanaf de middenbouw kan het sociaal gezien wenselijk zijn kinderen niet meer voor hun eigen plantje te laten zorgen, maar voor DE planten in de klas. Dit hoort bij het ontwikkelingsstadium van de kinderen. Onderbouwkinderen zijn ik-gericht, vanaf de middenbouw zijn kinderen meer gericht op de leidster en vanaf de bovenbouw meer op elkaar. Kinderen worden er nu op gewezen dat ze gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de klas en dus ook voor de planten. Zorg voor veel en goed verzorgde planten, waar kinderen met z'n allen zorg voor kunnen dragen. 
  • Vaasjes met bloemen of takken vereisen zorg van de kinderen, maar kunnen ook uitnodigen tot natekenen.
  • Dieren in de klas zouden kunnen zijn: een aquarium met vissen en planten uit het tropisch regenwoud (bromelia, zonnedauw), een bak met krekels, een terrarium met salamanders, land, water en moeras, kleine zoogdieren en cavia’s.  Hang er een kaartje bij waarop staat hoe de dieren verzorgd moeten worden. Bij (onverwachte) afwezigheid van de leidster moet de zorg ook doorgaan. 
  • Materialen op kindergrootte, mooi en niet van plastic, maar glas, hout of koper. 
  • De klas wordt ingericht per gebied: taal, eventueel schrijven, rekenen, kosmisch, oefeningen uit het dagelijks leven, zintuiglijk, creatief. 
  • Het materiaal staat heel ruim in de klas. Zet geen dozen op elkaar en laat ruimte open tussen het ene en ander werkje. Hoe ruimer, hoe fijner het is om te kiezen. 
  • Als het niet nuttig is voor de ontwikkeling van het kind, zou het niet in de omgeving van hem moeten zijn. Het is fijn om een dichte leidsterskast te hebben waarin alles opgeborgen wordt wat niet voor het kind is. Vraag je zelfs af of je een bureau in je klas wilt. 
  • Kinderen moeten in vrijheid kunnen werken met de materialen en zich niet geintimideerd voelen door obstakels. 
  • Het materiaal moet herhaling mogelijk maken. Zorg voor een plek waar kinderen zelf de materialen van het werk aan kunnen vullen, dus een rekje met doekjes en wattenbolletjes bijvoorbeeld. 
  • Geef ieder kind een grote steen met zijn of haar naam erop. Die steen gebruikt het als het een werkje gedaan heeft dat de leidster nog moet checken. Als zij of hij het werk gecheckt heeft, draait zij de steen om. 
  • Creëer een rusthoek in je klas; een plek waar kinderen lekker kunnen ontspannen, bijvoorbeeld met een vissenkom om naar te kijken, afgeschermd van de rest. 

IMG 2559


Buiten

  • Een binnentuin
  • Nestkasten
  • Plank met boorgaten voor insecten
  • Natuurpad
  • Kleedjes buiten! Op een mooie dag kun je de kleedjes buiten gebruiken om op te werken. En vooruit, de tafels ook. 
  • Een bekend verschijnsel op montessorischolen in het buitenland: (of in Nederland ook?) Een labyrint. 
6a00d8341cc08553ef01156e49f826970c

Foto: belladia.typepad.com

Voor nog meer info over hoe je school eruit kan zien, heeft de NMV een boekje uitgegeven: „de architectuur van de montessorischool”. 

De leidster is de verbinding tussen het kind en de omgeving. Zij bereidt de omgeving voor en zorgt dat kinderen zo aan de slag kunnen met de werkjes. Observeren, een passieve rol aannemen, is haar taak. Ze kijkt naar wat het kind nodig heeft en stoort alleen als het niet anders kan. Ongestoord werken is heel belangrijk voor een kind. De observaties noteert ze, zodat ze later kan kijken welke nieuwe uitdaging ze kan bieden. Zelf moet zij er verzorgd uitzien.