Boerderij

Leeftijd:

vanaf 5 jaar

Doel:

Plaats en functie van woorden in een zin beleven. Perfectioneren van het lezen.

P1010007.JPG-2

Voor een goede taalbeheersing is het nodig dat een kind niet alleen de betekenis van een woord leert, maar ook het belang leert zien van de plaats en de functie van het woord in een zin. Door de lesjes met de boerderij leert het kind de functie van de verschillende woordsoorten kennen; tevens geeft de boerderij mogelijkheid tot het oefenen van het lezen van moeilijker woorden.

In plaats van een boerderij kan ook gekozen worden voor een poppenhuis of een dierentuin, zo lang er van alle onderdelen maar meerdere verschillende zijn. Zo bevat de boerderij bijvoorbeeld een rode koe, een zwartwitte koe en een liggende koe. Bij plaatsgebrek kan de leidster een boerderij in kist of doos in de kast zetten.

De boerderij wordt aangeboden vanaf 5 jaar.

Bij de boerderij maakt de leidster zelf 9 doosjes met kaartjes in verschillende kleuren. Het verdient aanbeveling het woord waar het om draait in het rood aan te geven. 

Inhoud van de doosjes:

Doosje 1: Zelfstandig naamwoord

Doosje 2: Bepaald lidwoord

Doosje 3:

Doosje 4: Bepaald lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

Doosje 5

Doosje 6: Voegwoord

Doosje 7:

Doosje 8: Voorzetsel

Doosje 9:

Aanbieding van de woordsoorten


Voor de eerste aanbieding is nodig: een schaar, potlood en stroken papier. Het verdient aanbeveling deze items bij de boerderij te bewaren.

Voorbereidende spelletjes:

Wijs mij eens een het paard, de koe.

Wat is dit?

Zet eens alle koeien in de wei.

3 traps lesje: 1)dit is een ooi. 2) Zet de ooi eens in de stal. 3) Welk dier is dit?

Download het document op de downloads pagina om de namen van alle dieren, man, vrouw en jong te leren kennen.


Eerste aanbieding zelfstandig naamwoord

Eerst geeft de leidster het lesje op de tafel van het kind.

De leidster laat de namen van de figuren opnoemen

Het kind leest mee terwijl de leidster op een strook schrijft: 'lam'.

De leidster vraag: "wat staat er?"

Laat de strook bij de figuur leggen.

Nog 2 a 3 stroken schrijven.

Doosje pakken; kind legt de kaartjes erbij.


Bepaald lidwoord

Kies 2 figuren.

Schrijf de namen op 2 stroken: “de koe” en “het paard”

Laat het kind ze bij de figuren leggen

“de”en “koe” losknippen, hetzelfde bij “het paard”

Lidwoorden verwisselen: “het koe” en “de paard”

Volgorde verwisselen “koe de”en “paard het”

Doosje 2 laten doen: kaartjes met bep. lidwoord (in afwijkende kleur) en zelfstandig naamwoord, later ook doosje 1 (zelfst. nw) en 3 (bep lidw.)

 

Bijvoeglijk naamwoord

Witte, bruine en zwarte kip op tafel

geef mij eens de kip

nee die bedoel ik niet

kind vraagt: welke dan wel?

ik wil de witte kip

enkele keren herhalen met andere figuren

Schrijf op een strook: “de witte kip”

kind de strook bij de juiste kip laten leggen

woorden los knippen en in volgorde laten leggen

doosje 4 pakken (bep lidw.,+bijv. nw. +zelfst. nw)


Voegwoord “en”

Geef mij eens de witte kip en het liggende paard en het luie varken

Nu heb ik ze bij elkaar, de witte kip en het liggende paard en het luie varken (in je hand houden)

Een dergelijke zin op een strook schrijven

Kind leest de zin en zet de figuren erbij

Zin in losse woorden knippen

Experimenteren met de volgorde van de woorden

Doosje 6: de grote koe en het kleine schaap


Voorzetsel

Zet het witte paard naast de bonte koe, zet de hond achter het lage hek.

Dubbele opdrachten en zelfde opdracht met ander voorzetsel.

Zin op een strook, figuren erbij zetten.

Strook knippen.

Experiment met volgorde

Doosje 8: de grote koe naast de kleine geit


Daarna doosjes 1, 3, 5 en 9

 



lisettevanboheemen@mac.com